Cursus

<<- | Simultaanspel | Cursus concept | Fascinerend orkestspel

Fascinerend orkestspel

Echte klankovereenstemming binnen de strijkersgroep

De noodzaak van simultaanspel

Een kans voor de orkesten

 

1. struktuur en hierarchie

Het orkest is een faszinierend instrument. In een grote bezetting is de veelvoudigheid der klankmogelijkheden bijna onbegrensd.

Anders dan bijvoorbeeld bij een orgel bepaalt niet alleen de „speler“, de dirigent, het resultaat, maar wordt zijn interpretatie door vaak wel 120 mensen gerealiseerd. Het grootste deel daarvan, de strijkers, moet niet alleen de voorstellingen van de dirigent omzetten, maar dit ook nog op gelijke wijze doen, zodat elke groep in werkelijkheid slechts één stem speelt en niet meerdere door elkaar. Een register van een orgel heeft nu eenmaal ook slechts één klankkleur en niet meerdere.

 

De opgaven van alle betrokkenen zijn dus in hoge mate verschillend.

 

De dirigent musiceert met zijn hart en met zijn verstand. Hij is de einige, die geen geluid produceert en tegelijkertijd degene, die alles bepaalt. Het is zijn klankvoorstelling, zijn tempi, zijn expressie, zijn interpretatie, die door de orkestmusici moet worden omgezet. Voor de coördinatie van de verschillende partituurstemmen in de dirigent verantwoordelijk. Als dus de partituurstemmen naar zijn voorstelling worden uitgevoerd, klingt de muziek zoals hij dat wil.

 

De partituurstemmen worden vaak door een enkele musicus gespeeld, zoals bijvoorbeeld bij de blazers. Maar reeds de soloblazers hebben meer dan hun eigen partij aan het hoofd: zij dragen mede de verantwoording over hun hele groep. De eerste hoboïst houdt zich ook bezig met de intonatie en de artikulering in zijn groep, aangepast aan de intonatie en artikulering in andere groepen, net zoals de eerste hoornist of de eerste fluitist. De mate van individualiteit is wellicht het grootst bij de toetsinstrumenten, als er een piano of een celesta in de partituur voorkomt, of bij de harp. De slagwerkers moeten zich ook in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid aan elkaar aanpassen. Het is iets overdreven, ook hier van aanpassing van de klankkleur te spreken: slaginstrumenten zijn uiterst verschillend. Maar ritme en volume moeten kloppen.

 

Bij de strijkers wordt de grootst mogelijke homogeniteit verlangd. Dat kann een dirigent niet zelf. Dat kunnen alleen de musici bereiken door een duidelijke en vastgelegde verdeling van de competenties en door een zeer sterke will. We gaan ervan uit, dat iedereen over de nodige vakbekwaamheid beschikt.

 

Ongeveer zoals bij de eerste blazers is de eerste concertmeester mede verantwoordelijk voor de coördinatie van de hele strijkersgroep. Dit is in het bijzonder van toepassing op de uitvoeringstechniek, de aanpassing vam de expressiemogelijkheden, de artikulatie. Hij bepaalt, hoe de voorstellingen van de dirigent het beste omgezet kunnen worden. Zoals bij een strijkkwartet bespreekt hij zijn voorstellingen met de aanvoeders van de andere strijkersgroepen.

Onafhankelijk daarvan draagt de eerste concertmeester ook de verantwoordelijkheid over de stemming van het orkest. Hij stemt het orkest en grijpt ook af en toe in de repetitie in, om de intonatie tussen blazers en strijkers te optimeren.

 

Als de concertmeester en de aanvoerders van andere groepen hun werk doen, is er verder in de groep geen plaats meer om „leiding te geven“.Alle andere betrokkenen habben als einige zorg, het voorbeeld en de speelinstellingen van de eerste concertmeester of groepsaanvoerder precies te volgen, om nu binnen de groep een perfekt homogene klank te bereiken. Ook de zogenaamde plaatvervangende aanvoeders dienen zich te onthouden van zelfstandig „aanvoerend“ spel. Tenminste, zo lang de eerste concertmeester aanwezig is en er in de betreffende groep slechts één stem te spelen is. In tegendeel, met teveel „engagement“ zouden ze de groep slechts door elkaar brengen, net als meer dan één kapitein op een schip.

Als een partij tijdelijk opgedeeld is in twee stemmen, dan speelt de plaatsvervangende eerste aanvoerder deze stem en voert, gecoördineerd met de eerste aanvoerder, de andere kollega's aan, die deze stem spelen. Deze funktie van aanvoeren wordt aan de volgende plaatsvervanger over gedragen, als de hogere aanvoerders soli te spelen hebben. Het kann zelfs voorkomen, dat de groepsleiding tijdelijk aan een tuttist overgelaten moet worden, als alle groepsaanvoerders soli te spelen hebben.

 

2. Aanvoeren en „zich laten aanvoeren“

De concertmeester volgt met zijn spel de aanduidingen van de dirigent en houdt zich aan de afspraken, die met deze getroffen waren. En hij zet diens voorstellingen vastberaden en visueel duidelijk om. Hij geeft impulsen met zijn gebaren en lichaamstaal. En dat is eigenlijk alles.

Het zijn de groepskollega's, die zich laten aanvoeren, of niet. Als er iets „niet samen klinkt“, is het de kollega's kennelijk niet duidelijk, hoe en wanneer er ingezet wordt. De aanvoerder kann dan iets duidelijker gebaren tijdens zijn spel. Of de kollega's moeten gewoon beter opletten...

 

En hoe kann nu perfekt samenspel funktioneren, als een groep uit 18 tot 20 violisten bestaat ?

 

 

•  werkelijke klankovereenstemming

over het zenden en ontvangen van impulzen

 

 

In een klein bezet kamerorklest vinden groepsrepetities plaats, om de homogeniteit in een bij voorbeeld vierkoppige strijkersgroep te vinden. De drie tuttisten stemmen daarbij hun speeltechnieken in alle dimensies op de door de concertmeester gebruikte techniek af: de intonatie, de streektechniek met de instelling der streeklengte, de streeksnelheid, het gewicht en de kontaktplaats op de snaar, spiccato-springhoogte en, als belangrijkste: een zeer geringe graduelle aanpassing naar beneden der individuele geluidsterkte per lessenaar. Er worden vingerzettingen gebruikt, die onder elkaar kompatibel zijn, maar binnen de groep niet identiek moeten zijn. De tuttist zou in een solowerk waarschijnlijk andere vingerzettigen gebruiken.

 

De aanpassing van de speeltechniek vindt „simultaan“ plaats, tijdens een voortdurende „feed back“. Dat betekent, dat de concertmeester in beperkte mate zelfs spontaan dingen kann veranderen en, dat de kollega's hem daarbij direkt moeten volgen.

 

Hebben de plaatsvervangende concertmeesters in een groot bezette groep nauwelijks nog de opgave, dat ze, in absoluut zelden voorkomende gevallen, in moeten springen voor een plotseling ziek geworden concertmeester, zo hebben deze kollega's hier toch een uitnemend belangrijke funktie: het verder geven van de impulzen van de eerste concertmeester of groepsaanvoerder. Als de eerste drie kollega's naast en achter de aanvoerder zich, zoals in een klein bezet kamerorkest, aan de eerste concertmeester of eerste groepsaanvoerder in alle boven genoemde facetten anpassen en in hun bewegingen en de intensiteit daarvan zijn impulzen „versterken“, dan kan iedere tuttist, die zijn plaats aan de derde lessenaar of daar achter heeft, zich gemakkelijk aan zijn „verbindingskollega“ orienteren en zodoende eveneens de speelinstellingen van de concertmeester overnemen. Dit is noodzakelijk, omdat niet alle kollega's de concertmeester goed kunnen zien. Hóren kunnen ze hem in geen geval, als ze verder weg zitten dan aan de tweede lessenaar.

 

Ideaal is het natuurlijk, als de simultaniteit bij iedere lessenaar funktioneert. Want een „zelfstandige“ lessenaar zorgt meer voor verwarring dan voor homogeniteit.

 

Gelijktijdig moeten de tuttisten, net zo als voorheen hun plaatsvervangende aanvoerders, dynamisch een klein stukje terugtreden, - ook al om te vermijden, dat iemand zich per ongeluk in de voorgrond speelt. In het vakjargon noemt men dit „defensief spelen“, ook, wanneer daarmee eigenlijk bedoeld wordt, dat de tuttist afwachtend moet zijn en niet al teveel speelinitiatief aan den dag moet leggen, om zijn concertmeester niet van achteren „op te rollen“. Pas echt gekompliceerd wordt het, als men bedenkt, dat iedere tuttist naast het kontakt met b.g. „verbindungskollega“ ook de absolute simultaniteit met zijn lessenaargenoot moet aanhouden , de dirigent af en toe op zijn handen moet kijken en, indien nodig, ook wel eens een blik op de muziek moet werpen....

 

 

 

4. Simultaniteit en repetities

 

Uit bovenstaande wordt duidelijk, dat de eisen aan het concentratievermogen zeer hoog zijn, en, dat het nog lang niet genoeg is, alleen de noten goed te kunnen spelen.

 

Stelt U zich voor: iedereen komt goed voorbereid naar de repetitie, kan dus alle noten spelen en weet ook meer of minder, wanneer en hoe.

 

Voor de dirigent hebben de repetities het doel, zijn voorstellingen te realiseren. Hij werkt de composities door, bespreekt zijn ideeën en laat zien, hoe hij alles dirigeert. Hij „studeert“ op zijn „instrument“ en bouwt zijn interpretatie op.

 

De concertmeester en groepsaanvoerders oefenen zich in het omzetten en meevoelen van de voorstellingen van de dirigent. Zij passen eventueel de speeltechniek aan, veranderen streken en zoeken een ideale afstemming vanuit hun verantwoordelijkheid en binnen hun competenties.

 

En de plaatsvervangende concertmeesters en tuttisten ?

Die vinden bij het doorspelen steeds meer wegen, zich aan hun concertmeester of groepsaanvoerder te orienteren, vinden orientering bij andere stemmen, bijvoorbeeld om een ritme te controleren, of luisteren naar een solo, om deze dan niet te luid te begeleiden, alles natuurlijk, zonder het contact met de groep te verliezen.

 

Het simultane spel is natuurlijk niet het einig noodzakelijke middel. Ten einde verder gedacht zouden we daarmee een „echo-orkest“ krijgen. Het gaat niet zonder eigen initiatief. Dit eigen initiatief wordt van repetitie tot repetitie verder uitgebouwd, om meer ruimte te krijgen voor de concentratie op spontane muzikale ontwikkelingen.

 

Het gaat er dus om, het eigen speelinitiatief passend op maat te brengen, aangepast aan de groepsaanvoerder en alstublieft nooit méér dan deze aanvoeder. De tuttisten zullen steeds minder naar de muziek hoeven te kijken en kunnen steeds meer luisteren (groepskollega's links en rechts, andere partijen) en „afkijken“ (eigen groep). In iedere passage zoeken en vinden ze een ideale verdeling van hun concentratie: een deel geldt voor de groepsaanvoereder, een deel voor de partner aan de lessenaar, een deel voor het overzicht, en, zoals gezegd, een steeds kleiner deel voor de muziekpartij. Deze verdeling zal zich in de loop van de repetities verder optimeren, georienteerd aan het „spontane musiceren“.

De dirigent dient door de groepskollega's slechts vanuit een ooghoek te worden geobserveerd. In geval van twijfel moet men namelijk altijd met de concertmeester en de andere kollega's samen spelen en niet als einige in de groep met de dirigent... Natuurlijk blijft de dirigent de meest direkte impulsgever, maar zelfstandig inzetten zonder contact met de aanvoerder leidt zonder twijfel tot een „solistisch optreden“.

Op deze manier worden ook aanwijzingen aan de groep steeds meer overbodig: men ziet en hoort, wat de concertmeester doet en hoe hij dat doet. Uit zijn eigen praktijkervaring heeft men verschillende technieken ter beschikking. In de repetitie wordt duidelijk, welke daarvan men gaat gebruiken. Daarvoor zijn geen aanwijzingen nodig, als iedereen naar zijn aanvoerder an naar zijn kollega's kijkt.

 

Deze werktechniek lijkt zeer gecompliceerd. En toch is het voor velen slechts een kwestie van instelling en voorbereiding. Kollega's met veel kamermuziekervaring hebben het gemakkelijker, op anderen te letten. Ook grote technische reserves zijn van voordeel voor de tuttisten.

 

Op de juiste manier toegepast kan simultaniteit en een goede verdeling van de competenties en verantwoordelijkheden ertoe leiden, dat een strijkersgroep werkelijk zeer homogeen speelt, en toch ook flexibel blijft. De concertmeester kann zijn verantwoordelijkheid bij zoveel ondersteuning goed aan en voor de tuttikollega's is het werken bepaald niet saai of frustrerend: zij moeten werkelijk alle vroeger verworven solistische kwaliteien toepassen...in dienst van de groepsklank.

 

En de dirigent kann zich verheugen over zoveel kwaliteit in de klank van de strijkersgroepen. Hij zal zijn voorstellingen beter kunnen definieren, als hij een eensluidender klankresultaat te horen krijgt. De kwaliteit van het musiceren zal duidelijk beter worden.

 

Dat is werkelijk fascinerend aan het orkestspel !

 

 

Radboud Oomens, eerste violist
NDR-Symphonieorkest Hamburg


Hittfeld, 24 februari 2007

 

www.radboudoomens.de